Loading...

Nieuws

Publicaties en/of uitspraken die onze aandacht hebben getrokken.


Boris Al | 18-04-2017
Eerste Kamer stemt in met beperking wettelijke gemeenschap van goederen.

De Eerste Kamer heeft dinsdag 28 maart 2017 het Initiatiefvoorstel Beperking wettelijke gemeenschap van goederen (33.987), dat de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen beperkt, na stemming bij zitten en opstaan met de kleinst mogelijke meerderheid  aangenomen.

Het initiatiefvoorstel betekent een wijziging van het huidige basisstelsel. Het wetsvoorstel houdt in dat het vermogen en schulden van de partners bij aanvang van het huwelijk buiten de huwelijksgemeenschap blijft. Hetzelfde geldt voor nalatenschappen en schenkingen tijdens het huwelijk. De datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel wordt door het ministerie van Veiligheid en Justitie bepaald.


Boris Al | 8-12-16
Nietigverklaring huwelijk dementerende vrouw.

Nietigverklaring op verzoek van dochters van een huwelijk tussen een 70-jarige dementerende vrouw en een 15 jaar jongere man.

De nietigverklaring is verzocht door de dochters van de vrouw. De rechtbank is van oordeel dat de geestesvermogens van de vrouw ten tijde van de huwelijkssluiting zodanig gestoord waren dat zij niet in staat was haar wil te bepalen en de betekenis van haar verklaring bij het huwelijk te begrijpen.

Daarbij acht de rechtbank van belang dat het aangaan van een huwelijk een complexe beslissing is, leidend tot verregaande gevolgen van emotionele, juridische, financiële en fiscale aard.

De rechtbank is tot deze beslissing gekomen op basis van een onderzoek naar de feiten, de behandeling ter zitting en een door een geriater opgemaakt deskundigenrapport.

De rechtbank heeft bepaald dat de nietigverklaring terugwerkt tot het tijdstip van de huwelijksvoltrekking. Dit geldt ook ten aanzien van de man die door de rechtbank te kwader trouw wordt geacht ten tijde van de huwelijkssluiting. 

(Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6 december 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:7669)


Boris Al | 7-10-16
Echtscheiding in strijd met Bijbelse normen?

Het gerechtshof Den Haag verwijst naar HR 12 juli 2002 (LJN AE4037), waarin de Hoge Raad overwoog dat de wet het huwelijk alleen in zijn burgerlijke betrekkingen beschouwt (artikel 1:30 lid 2 BW) en dat een geloofsovertuiging niet maatgevend kan zijn voor het in de Nederlandse samenleving als geheel geldende recht met betrekking tot de mogelijkheid van ontbinding van een huwelijk.

Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 1:151 BW de echtscheiding op verzoek van één der echtgenoten wordt uitgesproken indien het huwelijk duurzaam ontwricht is. De vrouw heeft, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, uitdrukkelijk verklaard dat zij niet meer met de man getrouwd wil blijven en dat een herstel van de relatie van partijen niet meer mogelijk. Zij wil verder met haar leven zonder man en wenst niet meer met hem getrouwd te zijn. Daarmee is sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen.

(Bron: Gerechtshof Den Haag 7 oktober 2016, ECLI:NL:GHDHA:2015:3989)


Boris Al | 1-09-16
De 'Wet bescherming erfgenamen tegen schulden' is met ingang van 1 september 2016 in werking getreden!

Deze wet verbetert in Boek 4 Burgerlijk Wetboek de bescherming van erfgenamen tegen nalatenschapsschulden. De wetgever wil door verduidelijking van de regeling voor zuivere aanvaarding namelijk voorkomen dat erfgenamen in ernstige financiële problemen geraken.

Per datum inwerkingtreding is pas sprake van zuivere aanvaarding indien een erfgenaam goederen van de nalatenschap verkoopt of op andere wijze aan eventuele schuldeisers onttrekt. Ook komt er een uitzonderingsclausule voor gevallen waarin de erfgenaam na zuivere aanvaarding geconfronteerd wordt met een onverwachte schuld.


Boris Al | 18-05-16
Afwijking interne draagplicht bij echtscheiding.

Bron: Gerechtshof Den Haag 2 juli 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2743

Door indiening van het echtscheidingsverzoek is de huwelijksgemeenschap van partijen ontbonden. Aangezien de (ex)echtgenoten op grond van art. 1:100 lid 1 BW een gelijk aandeel in deze ontbonden gemeenschap hebben, dient een ieder van hen de helft van de - ten tijde van het indienen van het echtscheidingsverzoek bestaande - gemeenschapsschulden (intern) voor zijn rekening nemen. Voor zover één van hen meer voldoet dan de helft van de gemeenschapsschulden, heeft deze een regresrecht jegens de ander. 

In deze zaak is het hof van mening dat van de vrouw - in de interne verhouding tot de man - naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden verlangd dat zij bijdraagt in de aflossing en rentetermijnen van de lening aan de bank. Het hof vindt dan ook dat de man deze schuld (intern) geheel moet dragen. 

Dit aangezien de man ten behoeve van zijn onderneming een doorlopend krediet had afgesloten bij de bank en daarbij de handtekening van de vrouw op de kredietovereenkomst had vervalst. 

Daarenboven had de man de activa en passiva van zijn onderneming ná de ontbinding van de huwelijksgoederengemeeschap zonder medewerking van de vrouw aan een derde overgedragen, terwijl hij op dat moment niet beschikkingsbevoegd was in zijn eentje tot overdracht daarvan over te gaan. Daartoe behoefde hij op grond van art. 3:170 BW immers de medewerking van de vrouw. 

Bovendien stelde de man in de procedure dat hij de onderneming voor een bedrag van slechts € 11.000,- had verkocht, terwijl de vrouw van de koper had vernomen dat met de verkoop van de onderneming een bedrag ad € 144.000,- was gemoeid, waarvan maar liefst € 133.000,- in contanten voldaan. 

Het hof overwoog voorts dat de financiële positie van de vrouw zeer benard was en dat de man ook geen kinderalimentatie betaalde.


Boris Al | 17-05-16
Zuivere aanvaarding van een nalatenschap door het doen van betalingen uit die nalatenschap?

Bron: Rechtbank Den Haag 11 mei 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:4522

Volgens deze rechtbank is voor een positief oordeel noodzakelijk dat uit de gedragingen van de erfgenaam ook kon worden afgeleid dat deze de bedoeling had de nalatenschap zuiver te aanvaarden. Of dit het geval is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Gezien de mogelijk grote gevolgen van zuivere aanvaarding dient een dergelijk aanvaarding niet al te klakkeloos uit ondoordacht gedrag van een erfgenaam / erfenamen te worden afgeleid. 

Art. 1095 (oud) BW rekende tot handelingen waaruit géén stilzwijgende (zuivere) aanvaarding van de nalatenschap mocht worden afgeleid "al hetgeen tot de begrafenis betrekking heeft." Deze regel heeft onder het huidige recht zijn gelding behouden.

Het begrip kosten in relatie tot de begrafenis dient volgens de rechtbank niet te krap te worden opgevat. Het gaat niet slechts om de kosten van lijkbezorging, maar om alle kosten die met het oog op een voor erflater passende uitvaart of begrafenis zijn gemaakt.

Voor de beoordeling wat kosten zijn die betrekking hebben op de begrafenis kan onder meer worden aangesloten bij de jurisprudentie met betrekking tot art. 4:7 sub b BW, waarin bepaald wordt dat kosten van lijkbezorging, voor zover deze in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledenen, schulden van de nalatenschap zijn.


Boris Al | 21-04-16
Partijen zijn in beginsel vrij in de besteding van hun in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap ontvangen vermogen, maar die vrijheid kan worden beperkt in verband met een eventuele verplichting tot partneralimentatie.

Bron: Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14 maart 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:1487)

In deze procedure betoogt de vrouw dat - gezien de lange duur van het huwelijk van partijen en de korte (overeengekomen) alimentatieperiode - het onbillijk is dat de finaciële gevolgen van de keuze van de man zijn in het kader van de verdeling vrijgekomen vermogen ad € 114.000,- nagenoeg volledig aan te wenden voor de aankoop van een woning, op haar worden afgewenteld.

Het hof acht de keuze van de man zijn vermogen aan te wenden voor de aankoop van een woning echter niet onbegrijpelijk en/of onverantwoordelijk in zijn onderhoudverplichting jegens de vrouw. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat ook de vrouw haar deel uitgekeerd heeft gekregen. 


Boris Al | 28-03-16
Kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop worden niet geteld bij het inkomen van de vrouw in het kader van de vaststelling van de partneralimentatie.

Bron: Gerechtshof Den Haag 23 maart 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:806)

In verband met de beschikking van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 ligt de vraag voor of bij de vaststelling van partneralimentatie het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop ook als inkomen moet worden meegenomen in het kader van de bepaling van de aanvullende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. De aanspraak hierop is immers afhankelijk is van de hoogte van het verzamelinkomen en derhalve van het al dan niet ontvangen van alimentatie.

Het hof is van oordeel dat de onderhoudsverplichting van de man jegens zijn ex-echtgenote prevaleert boven de ondersteuning die de vrouw kan krijgen van de staat indien zij in onvoldoende mate in haar levensonderhoud kan voorzien.

Ter onderbouwing daarvan verwijst het hof naar een uitspraak van de Hoge Raad in het kader van de huurtoeslag. In zijn beschikking van 27 januari 1995, NJ 1995/291 heeft de Hoge Raad namelijk overwogen dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat “de aanvullende aard van de huursubsidie meebrengt dat de woonkosten van de vrouw zonder subsidie bij het bepalen van haar behoefte tot uitgangspunt moeten worden genomen.”.
Nu het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop eveneens inkomensaanvullend van aard zijn, ziet het hof aanleiding bij de berekening van de behoefte van de vrouw evenmin rekening te houden met deze inkomensafhankelijke inkomensondersteuning.


Boris Al | 10-03-16
Wettelijke rente over gebruiksvergoeding ex art. 1:165 BW pas verschuldigd vanaf het tijdstip van het ontstaan van de aanspraak op de gebruiksvergoeding.

Bron: Hoge Raad 4 maart 2016 (ECLI:HR:2016:374)

De vordering tot voldoening van een gebruiksvergoeding op de voet van art. 1:165 BW is eerst ontstaan en opeisbaar geworden als gevolg van de beschikking van het hof van 28 mei 2014 waarbij die gebruiksvergoeding aan de vrouw is toegekend.

Derhalve kan de man vóór 28 mei 2014 niet met de voldoening van de gebruiksvergoeding in verzuim zijn geweest als bedoeld in art. 6:119 lid 1 BW jo. art. 6:81-87 BW.

Het hof heeft dan ook ten onrechte ook wat betreft de gebruiksvergoeding die voor de periode van 22 mei 2013 tot 28 mei 2014 aan de vrouw is toegekend, bepaald –dat daarover de wettelijke rente met terugwerkende kracht is verschuldigd vanaf de eerste dag van iedere maand van dat gebruik.


Boris Al | 10-10-15
Het door de feitelijke verzorger te ontvangen kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop dienen niet in mindering te worden gebracht op de behoefte van de minderjarige.

Bron: Hoge Raad 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011)

Ingevolge de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 dienen het ontvangen kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop niet (meer) in mindering te worden gebracht op de behoefte van de minderjarige.

Wel dienen deze in aanmerking te worden genomen bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop ontvangt. Er is namelijk sprake van inkomensondersteuning aan die zijde. Deze ondersteuning dient in aanmerking te worden genomen bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. Voorts dient geen onderscheid te worden gemaakt tussen de alleenstaande ouderkop en het overige deel van het kindgebonden budget.