Loading...

Nieuws

Publicaties en/of uitspraken die onze aandacht hebben getrokken.


BORIS AL | 09-10-18
Hoe verhoudt art. 223 Rv zich met de artt. 821-826 Rv?

Aan te nemen valt dat de wetgever bij zijn keuze voor het voor tenuitvoerlegging vatbaar worden van definitieve partneralimentatie als het moment waarop de voorlopige partneralimentatie haar kracht verliest, het algemene uitgangspunt voor ogen heeft gehad

Toepassing van het uitgangspunt dat een uitvoerbare bodembeslissing voorrang behoort te hebben boven een voorlopige voorziening leidt in scheidingszaken niet steeds tot een wenselijk resultaat.

Een onwenselijk resultaat kan zich volgens de Hoge Raad met name voordoen in een situatie waarin na de vaststelling van definitieve partneralimentatie, de omstandigheden zijn gewijzigd of indien daarbij van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Ook in het geval dat in deze zaak aan de orde is, is daarvan sprake, nu de beslissing van het hof om, met toepassing van art. 223 Rv, voor de duur van de procedure in hoger beroep een voorlopige onderhoudsbijdrage te bepalen, erop berust dat de verwachting van de rechtbank dat de vrouw met ingang van 1 december 2015 door inkomsten uit arbeid volledig in haar eigen behoefte zou kunnen voorzien, niet blijkt te zijn uitgekomen.

Het cassatiemiddel stelt aan de orde of onderhavige leemte kan worden voorzien door de echtgenoot die het betreft de mogelijkheid te bieden om met gebruikmaking van art. 223 Rv, voor de (resterende) duur van het geding in hoger beroep, de vaststelling van een voorlopige onderhoudsbijdrage te verzoeken.

In zijn uitspraak van 5 december 2014 heeft de Hoge Raad overwogen dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zich niet verzetten tegen overeenkomstige toepassing van art. 223 Rv op verzoekschriftprocedures, aangezien er geen aanwijzingen zijn dat de wetgever, door alleen in zaken van echtscheiding en scheiding van tafel en bed voorlopige voorzieningen wettelijk te regelen (art. 821-826 Rv), daarbuiten de mogelijkheid van een voorlopige voorziening in de verzoekschriftprocedure heeft willen uitsluiten. In het geval dat in deze cassatie in het belang der wet aan de orde is, gaat het echter om een voorlopige voorziening binnen de scheidingsprocedure.

Aanvaarding van de mogelijkheid om binnen een scheidingsprocedure met overeenkomstige toepassing van art. 223 Rv een voorlopige voorziening te treffen, staat volgens de Hoge Raad op gespannen voet met het feit dat de wetgever met de art. 821-826 Rv voor de scheidingsprocedure heeft voorzien in een bijzondere regeling van voorlopige voorzieningen in die procedure. Hiermee is kennelijk beoogd een uitputtende regeling te treffen van voorlopige voorzieningen die kenmerkend zijn voor een scheidingsprocedure. Daarmee is niet goed te verenigen dat een dergelijke voorziening ook op de voet van art. 223 Rv zou kunnen worden gevraagd.

Het voorgaande klemt volgens de Hoge Raad te meer nu de regeling van de voorlopige voorzieningen in het kader van een scheidingsprocedure aanmerkelijk afwijkt van die van art. 223 Rv. Zo blijft een voorlopige voorziening op de voet van art. 223 Rv van kracht totdat de vordering in de hoofdzaak is ingetrokken, dan wel de einduitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

Verder heeft de wetgever voor de voorlopige voorzieningen bij scheiding ervoor gekozen gewone rechtsmiddelen tegen een op grond van art. 822 Rv gegeven beschikking uit te sluiten (zie art. 824 lid 1 Rv), maar binnen zekere grenzen wel wijziging of intrekking van zodanige beschikking mogelijk te maken (namelijk in de in art. 824 lid 2 Rv omschreven gevallen). Deze keuze berust onder meer op de wens een vlot verloop van de scheidingsprocedure te bevorderen  Daarentegen kan van een beslissing op de voet van art. 223 Rv direct hoger beroep en cassatieberoep worden ingesteld (zie art. 337 lid 1 Rv en art. 401a lid 1 Rv).

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de Hoge Raad, wat betreft de in art. 822 lid 1, aanhef en onder a-e, Rv genoemde voorlopige voorzieningen, tot de slotsom dat er geen plaats is voor overeenkomstige toepassing van art. 223 Rv.

(Bron: Hoge Raad 31 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1414)


BORIS AL | 08-10-18
Stilzwijgende boedelverdeling?

In deze uitspraak bevestigt de rechtbank dat geen enkele deelgenoot verplicht kan worden in een onverdeelde gemeenschap, zoals een ontbonden huwelijksgemeenschap, te blijven.Uitgangspunt is derhalve dat de verlangde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan worden bewerkstelligd met medewerking van de andere deelgenoten (art. 3:182 BW) of via de rechter (art. 3:185 BW).

Ingevolge art. 3:182 BW geschiedt een verdeling door de deelgenoten bij rechtshandeling waartoe alle deelgenoten meewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt evenwel dat de enkele omstandigheid dat partijen met wederzijdse toestemming de tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behorende goederen hebben verdeeld, nog niet zonder meer impliceert dat partijen het over de financiële consequenties van de verdeling (het ontstaan van vorderingen en uit over- en onderbedeling) eens zijn geworden. Dit is wel noodzakelijk om in onderling overleg de verdeling tot stand te brengen.

In het geval partijen aanvankelijk met wederzijdse instemming de goederen hebben verdeeld en protest in verband met de financiële consequenties daarvan uitblijft, kan het evenwel zijn dat partijen onder omstandigheden op de voet van artikel 3:35 BW over en weer erop mogen vertrouwen dat de wederpartij ook rechtens met de verdeling instemt (zie Hoge Raad 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279).

In onderhavige zaak staat tussen partijen staat vast dat hun communicatie in de echtscheidingsperiode moeizaam verliep. Zo konden zij het bijvoorbeeld ook niet eens worden over een omgangsregeling voor hun dochter en over de kinderalimentatie. Vervolgens is de rechtbank voldoende gebleken dat partijen, via hun advocaten, aanvankelijk hebben gecorrespondeerd over de boedelscheiding, maar dat zij uiteindelijk geen overeenstemming hebben bereikt. Partijen hebben toen dus, anders dan in de zaak die tot voormelde uitspraak van de Hoge Raad leidde, niet met wederzijdse toestemming de tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behorende goederen verdeeld.In deze situatie is sindsdien geen verandering gekomen.

Tegen deze achtergrond mocht de man er volgens de rechtbank dan ook niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat de vrouw alsnog met de verdeling en met de financiële consequenties daarvan had ingestemd.

De man kan zich ook niet met vrucht op rechtsverwerking beroepen, omdat de enkele omstandigheid dat sinds 1995 lange tijd is verstreken en de vrouw gedurende die tijd heeft stilgezeten daarvoor onvoldoende is. Het risico van dit tijdsverloop komt voor rekening van de man, die ook zelf de verdeling had kunnen laten formaliseren, maar dit heeft nagelaten.                                                                                                                                                                                   

(Bron: Rechtbank Den Haag 3 oktober 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:11659)


BORIS AL | 1-09-16
De 'Wet bescherming erfgenamen tegen schulden' is met ingang van 1 september 2016 in werking getreden!

Per datum inwerkingtreding is pas sprake van zuivere aanvaarding indien een erfgenaam goederen van de nalatenschap verkoopt of op andere wijze aan eventuele schuldeisers onttrekt. Ook komt er een uitzonderingsclausule voor gevallen waarin de erfgenaam na zuivere aanvaarding geconfronteerd wordt met een onverwachte schuld.

 


BORIS AL | 18-05-16
Afwijking interne draagplicht bij echtscheiding.

In deze zaak is het hof van mening dat van de vrouw - in de interne verhouding tot de man - naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden verlangd dat zij bijdraagt in de aflossing en rentetermijnen van de lening aan de bank. Het hof vindt dan ook dat de man deze schuld (intern) geheel moet dragen. 

Dit aangezien de man ten behoeve van zijn onderneming een doorlopend krediet had afgesloten bij de bank en daarbij de handtekening van de vrouw op de kredietovereenkomst had vervalst. 

Daarenboven had de man de activa en passiva van zijn onderneming ná de ontbinding van de huwelijksgoederengemeeschap zonder medewerking van de vrouw aan een derde overgedragen, terwijl hij op dat moment niet beschikkingsbevoegd was in zijn eentje tot overdracht daarvan over te gaan. Daartoe behoefde hij op grond van art. 3:170 BW immers de medewerking van de vrouw. 

Bovendien stelde de man in de procedure dat hij de onderneming voor een bedrag van slechts € 11.000,- had verkocht, terwijl de vrouw van de koper had vernomen dat met de verkoop van de onderneming een bedrag ad € 144.000,- was gemoeid, waarvan maar liefst € 133.000,- in contanten voldaan. 

Het hof overwoog voorts dat de financiële positie van de vrouw zeer benard was en dat de man ook geen kinderalimentatie betaalde.

 


BORIS AL | 17-05-16
Zuivere aanvaarding van een nalatenschap door het doen van betalingen uit die nalatenschap?

Art. 1095 (oud) BW rekende tot handelingen waaruit géén stilzwijgende (zuivere) aanvaarding van de nalatenschap mocht worden afgeleid "al hetgeen tot de begrafenis betrekking heeft." Deze regel heeft onder het huidige recht zijn gelding behouden.

Het begrip kosten in relatie tot de begrafenis dient volgens de rechtbank niet te krap te worden opgevat. Het gaat niet slechts om de kosten van lijkbezorging, maar om alle kosten die met het oog op een voor erflater passende uitvaart of begrafenis zijn gemaakt.

Voor de beoordeling wat kosten zijn die betrekking hebben op de begrafenis kan onder meer worden aangesloten bij de jurisprudentie met betrekking tot art. 4:7 sub b BW, waarin bepaald wordt dat kosten van lijkbezorging, voor zover deze in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledenen, schulden van de nalatenschap zijn.

 


BORIS AL | 21-04-16
Partijen zijn in beginsel vrij in de besteding van hun in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap ontvangen vermogen, maar die vrijheid kan worden beperkt in verband met een eventuele verplichting tot partneralimentatie.

Het hof acht de keuze van de man zijn vermogen aan te wenden voor de aankoop van een woning echter niet onbegrijpelijk en/of onverantwoordelijk in zijn onderhoudverplichting jegens de vrouw. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat ook de vrouw haar deel uitgekeerd heeft gekregen. 

 


BORIS AL | 28-03-16
Kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop worden niet geteld bij het inkomen van de vrouw in het kader van de vaststelling van de partneralimentatie.

Het hof is van oordeel dat de onderhoudsverplichting van de man jegens zijn ex-echtgenote prevaleert boven de ondersteuning die de vrouw kan krijgen van de staat indien zij in onvoldoende mate in haar levensonderhoud kan voorzien.

Ter onderbouwing daarvan verwijst het hof naar een uitspraak van de Hoge Raad in het kader van de huurtoeslag. In zijn beschikking van 27 januari 1995, NJ 1995/291 heeft de Hoge Raad namelijk overwogen dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat “de aanvullende aard van de huursubsidie meebrengt dat de woonkosten van de vrouw zonder subsidie bij het bepalen van haar behoefte tot uitgangspunt moeten worden genomen.”. 
Nu het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop eveneens inkomensaanvullend van aard zijn, ziet het hof aanleiding bij de berekening van de behoefte van de vrouw evenmin rekening te houden met deze inkomensafhankelijke inkomensondersteuning.


BORIS AL | 10-03-16
Wettelijke rente over gebruiksvergoeding ex art. 1:165 BW pas verschuldigd vanaf het tijdstip van het ontstaan van de aanspraak op de gebruiksvergoeding.

Derhalve kan de man vóór 28 mei 2014 niet met de voldoening van de gebruiksvergoeding in verzuim zijn geweest als bedoeld in art. 6:119 lid 1 BW jo. art. 6:81-87 BW.

Het hof heeft dan ook ten onrechte ook wat betreft de gebruiksvergoeding die voor de periode van 22 mei 2013 tot 28 mei 2014 aan de vrouw is toegekend, bepaald –dat daarover de wettelijke rente met terugwerkende kracht is verschuldigd vanaf de eerste dag van iedere maand van dat gebruik.

 


BORIS AL | 10-10-15
Het door de feitelijke verzorger te ontvangen kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop dienen niet in mindering te worden gebracht op de behoefte van de minderjarige.

Wel dienen deze in aanmerking te worden genomen bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop ontvangt. Er is namelijk sprake van inkomensondersteuning aan die zijde. Deze ondersteuning dient in aanmerking te worden genomen bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. Voorts dient geen onderscheid te worden gemaakt tussen de alleenstaande ouderkop en het overige deel van het kindgebonden budget.